Het laatste geheim van Stradivari 1


Het breken van de draad


Vaak en lang is er naar gezocht en veel is er al over geschreven, maar het blijft hardnekkig rondspoken in kringen van violisten en vioolbouwers. In de nu volgende 3 artikelen hoop ik aannemelijk te maken dat er nooit sprake is geweest van een geheim in de zin van bewust achtergehouden kennis. Wel in de zin van een deel van het ambacht dat onbedoeld verloren is geraakt. Eigen, origineel onderzoek heb ik niet gedaan. In plaats daarvan bekijk ik bekend materiaal vanuit een iets ander perspectief. Voor de stof tot denken ben ik onder andere de heren Hill1), Sacconi2), Pollens3), Dilworth4), Chiesa5),Rosengard6) en Hargrave7) dankbaar. Tenslotte formuleer ik een paar hypotheses, die hoogstwaarschijnlijk met modern onderzoek te verifiŽren zijn.


Los van een werkwijze die verloren gegaan kan zijn, gaat het mijns inziens ook niet over Stradivari alleen, maar over de familie Amati en leerlingen in wijdere zin: de Amati's, Guarneri's en Stradivari. Hoewel we, behalve hun instrumenten, niet veel over hun persoonlijk leven weten, kunnen we een paar trekken vaststellen:

  • het waren bovengemiddeld goede houtbewerkers
  • van een aantal weten we dat ze tevens als profviolist werkzaam waren (met Stradivari als grote uitzondering) 5)
  • ze waren, alweer met Stradivari als uitzondering, hoogstwaarschijnlijk goeddeels analfabeet
  • ze hebben voor het beste deel van 2 eeuwen het monopolie over het topsegment van de (toen) internationale vioolmarkt weten te handhaven


Mede vanuit dit perspectief wil ik proberen aannemelijk te maken dat, en waar, de draad van deze overlevering tenslotte geknapt is.


Bedenk bijvoorbeeld hoe tijdrovend het op zich al is om alle details van een ambacht door te geven. En dat moest dan ook nog zonder de mogelijkheid om instructies op te slaan door middel van geschreven tekst, de Herz, de 0,1mm, tekeningen etc. Afgezien van mallen en sjablonen voor de belangrijkste vormen en afmetingen, was je net zo lang in de leer tot alles in je geheugen zat. En daar hoorde dan ook nog bij de training van handvaardigheid, training van het oog. En als dat allemaal min of meer in orde was, moest je ook nog iets met de klank. Stel je maar eens voor dat je zo, zonder iets op te schrijven, zelf moet leren vioolbouwen.


Wel kunnen ze een systeem van eenvoudige verhoudingen gebruikt hebben. Waarbij ik wil aantekenen dat de veelbezongen Gulden Snede daarbij vast geen rol heeft gespeeld. Hun geringe geletterdheid maakt het onwaarschijnlijk dat ze over gecompliceerde wiskunde konden beschikken, en in muzikale zin leidt de Gulden Snede tot zinloze resultaten. Deel een snaar maar eens volgens de Gulden Snede; dat geeft een interval dat in onze muziek geen enkele rol speelt. Laten we het houden op de eenvoudige verhoudingen 1:2, 2:3, 3:4 etc., die in de muziek het octaaf, de kwint, de kwart etc. voorstellen.


Verder is het goed om te bedenken dat de werkplaats van Stradivari niet maatgevend was voor een vioolbouwatelier van die tijd. Zijn werkplaats overtrof in afmetingen, complexiteit en personeel alles wat tot dan toe gangbaar was. Het was welbeschouwd een "vioolfabriek" avant la lettre. Veel van de bewaard gebleven tekeningen, mallen en hulpgereedschappen, hangen direct samen met de opgaaf om zoveel personeel en leerlingen gericht aan het werk te houden op zo'n hoog niveau en binnen vrij nauwe toleranties. Het is hem gelukt, en wij zouden Stradivari waarschijnlijk een echte control freak vinden. Van de oudere ateliers is niets bewijsbaars overgebleven. Misschien zaten er bij Stradivari wat erfstukken van de Amati's, maar dat staat er niet op... Al met al denk ik dat de oudere ateliers over heel wat minder tekeningen, mallen, sjablonen enz. beschikt hebben. Daarmee strookt ook beter de vrijheid van expressie waarmee, vaak wel binnen een gegeven grondvorm, allerlei details door de individuele bouwer worden behandeld. Het maken van exacte kopieŽn tenslotte was in die tijd bewijsbaar niet aan de orde. Maar daarover komen we nog te spreken.


Hun monopolie was dermate benijdenswaardig, dat ze geen middel onbenut zullen hebben gelaten om dat te handhaven en waar mogelijk te versterken. Waarbij ze natuurlijk moesten opereren binnen de regels die het gilde stelde, o.a. aan wijze waarop het vak moest worden doorgegeven. Denk hierbij aan de mogelijkheid om bij het doorgeven enigszins selectief te werk te gaan. Ik ken de precieze gilderegels dienaangaande niet, maar het lijkt me dat daar wel wat ruimte geweest moet zijn.


Vooral denk ik dat die ruimte gezocht moet worden op het vlak van klankbeheersing. Dat een aantal oude meesters tevens violist was, kun je beschouwen als een aardig onderdeel van hun CV, maar je kunt het ook zien als essentieel voor de klankkwaliteit van hun instrumenten. Waar ik naar toe wil, is dat ze, als violist, zelf hun klankideaal konden scheppen en handhaven, en dat dat nu net het onderdeel van hun succes was, dat ze liever binnen de "familie" hielden, en dat de gilderegels hierover zwegen als het graf.


Het kost weinig voorstellingsvermogen om te zien dat het doorgeven van de kunst van het "intoneren" van strijkinstrumenten ook eerder een kwestie van jaren was dan van maanden. En ook, dat deze kennis waarschijnlijk selectief werd doorgegeven. En zo'n leerling moest dan ook maar weer viool kunnen spelen. Daar zal het nog wel eens aan ontbroken hebben.


Voor de hand ligt de conclusie het leren vioolbouwen en intoneren op het niveau van Amati eerder een kwestie van decaden dan van jaren was, en dat de overdracht van alle kennis slechts aan een select gezelschap was voorbehouden.


Zoals wel vaker, was de kracht van deze aanpak ook de zwakte. De draad werd met opzet dun gehouden. We kunnen duidelijk zien waar die op zijn laatst geknapt is toen in de loop van de 18de eeuw de sociale en economische omstandigheden dramatisch verslechterden. M.A. Bergonzi werd geboren in 1722. Toen Stradivari stierf was hij 18, 22 toen Guiseppe del Gesý stierf, 25 toen Carlo Bergonzi stierf en 40 toen Pietro Guarneri stierf. Maar van G.d.G. is niet bekend dat hij leerlingen heeft gehad en P.G. werkte sinds ca. 1718 in VenetiŽ. (nazien: hoe is Carlo B. aan zijn kennis gekomen?) In dit tijdsgewricht moet al aardig wat kennis verloren gegaan zijn, ook omdat de vioolbouw als middel van bestaan inmiddels een groot deel van zijn aantrekkingskracht had verloren. De rest van de traditie ging verloren in de jaren na 1758, toen M.A. Bergonzi overleed en Nichola Bergonzi 12 jaar oud was. Het doek viel definitief in 1762 met de dood van Pietro Guarneri van VenetiŽ.


Voor degenen die weigeren te geloven dat zo'n vitaal, ja zo'n essentieel onderdeel van het ambacht zomaar in de mist der tijden verloren kan gaan, heb ik een illustratieve parallel van eigen bodem. De gebroeders FranÁois (ca. 1609-1667) en Pieter (1619-1680) Hemony, die vanaf 1641 in Zutphen werkzaam waren, ontketenden een revolutie in het gieten van klokken en carillons. Zij ontwikkelden een systeem om de essentiŽle boventonen van een klok te stemmen, zodat hun klokkenspelen veel mooier en zuiverder klonken dan tot dan toe. Dit dezen ze met behulp van een blinde beiaardier en blokfluitist, Jacob van Eyck, die beroemd was om zijn uitzonderlijk scherpe gehoor. Hij had het bestaan van boventonen in glazen en klokken al aangetoond. Samen ontwikkelden ze een methode om de boventonen van klokken hoorbaar en zichtbaar te maken door middel van zorgvuldig gestemde strookjes glas. Die strookjes werden bestrooid met een beetje zand en, zodat goed te zien was als er ťťn door een boventoon van een klok in resonans werd gebracht. Door nu metaal uit de binnenzijde van de klok te verwijderen, werd de boventoon net zo lang gestemd tot het gewenste plaatje meetrilde. Het was meteen een succes en ze goten 51 carillons, samen met een groot aantal kanonnen, en werden beroemd en rijk. Tot op de dag van vandaag pik je een Hemony-carillon er op de klank zo uit. De broers gaven hun kennis netjes door aan de volgende generatie, maar rond 1716 in Holland en 1793 in Vlaanderen was er niemand meer die kunst van het stemmen van klokken verstond. Langzaam maar zeker werd deze manier van werken vanaf het einde van de 19de eeuw heruitgevonden, om in de 2de helft van de 20ste eeuw weer compleet uit de as te verrijzen8).