Italiaans vioolbouwen in de praktijk


Dat betekent in de praktijk, dat de instrumenten gebouwd worden volgens een standaardrecept, tamelijk rechttoe rechtaan, waarbij we ons niet bij elke handeling hoeven afvragen of het misschien gevolgen voor de klank zou kunnen hebben. Maar ook binnen het recept heb je nogal wat vrijheid. Of een welving wat hoger of lager uitvalt, of het instrument precies symmetrisch wordt, of de f-gaten exact op hun plaats zitten, of de krans overal op 0.1mm nauwkeurig even dik is, zijn geen zaken om je op voorhand zorgen over te maken. Dat deden ze vroeger ook niet.


Voor de meeste instrumenten zijn er NVS-modellen, waarvan ik weet dat ze qua klank en bespeelbaarheid goed voldoen, maar die zijn niet verplicht, als je zelf een duidelijk idee hebt wat voor instrument je wilt maken. Het maken van exacte kopieŽn van gelauwerde instrumenten moedig ik overigens niet aan. Het is niet erg creatief, hondsmoeilijk en leidt zelden tot het beoogde resultaat, o.a. omdat hout een zeer variabel materiaal is. De ouden bouwden wel vaak een aantal instrumenten over dezelfde mal, maar van bewust kopiŽren tot in details is nooit sprake. Integendeel, de norm is eerder een continu variŽren en experimenteren.


Verder is een werkplaats geen laboratorium. Aan uitgebreid akoestisch onderzoek van losse bladen en/of complete instrumenten doe ik niet meer. O.a. niet omdat het veel tijd en geld opslorpte, omdat het, mij althans, geen bruikbare inzichten heeft opgeleverd, en niet in de laatste plaats, omdat de ouden het ook geheel zonder computer, dode kamer en Lucchi-meter voor elkaar hebben gekregen.


In plaats daarvan bespelen we de instrumenten in het wit, ongelakt dus, en schaven of schrapen net zo lang aan de buitenzijde tot we over de klank tevreden zijn, wat ik "intoneren" noem. Dat gebeurt met een doorsnee besnaring en afregeling, zodat er na het lakken nog wat speelruimte is voor fijnafregeling met kam, stapel, snaren etc. Door de jaren heen is gebleken dat je op deze manier een hoge gemiddelde kwaliteit kunt bereiken, met voornamelijk uitschieters naar boven.


Gelukkig is uit een paar recente experimenten gebleken dat zelfs professionele musici niet betrouwbaar het verschil kunnen horen (en voelen!) tussen een goed antiek Italiaans instrument en een goed instrument van een nog levende bouwer. Een voor moderne vioolbouwers zeer bemoedigend gegeven, waarvan de reikwijdte mijns inziens nog nauwelijks te overschatten is. Zeker nu we de kwaliteit in de hand kunnen hebben op een manier die sterk lijkt op die van de ouden.